Zalvend en slaand …
Heb ik ooit gezegd …Archief voor Verhalen
The Pelican brief…
Ze twijfelt. Stopt en draait zich terug op haar voorzichtige stappen. Ze ziet dat hij nog steeds glimlachend naar haar staat te kijken en draait zich met haar volledige lichaam naar hem toe. Zij kijkt naar hem. En hij kijkt naar haar. En zo blijven ze enkele seconden (Of waren het minuten?) staan… En dat is goed zo. Zijn glimlach bevriest en verstart bij het zien van de droevige blik in haar ogen. Op hetzelfde moment leest hij haar diepste gedachten en weet precies wat ze voelt. Hij voelt hetzelfde. Hij wil niet dat ze weggaat. Evenmin wil zij weg. Maar het moet. Anders kan het en lukt het en mag het niet. Te gevaarlijk voor haar. Voor hem. Voor hen? Diep in gedachten verzonken schrikt hij wanneer ze kucht… Hij kijkt opnieuw op. Een krul hangt speels voor haar ene oog en maakt haar onweerstaanbaar… Bedolven onder deze oncontroleerbare emotie, neemt hij een stap in haar richting. Zij ziet hem die stap nemen en twijfelt geen seconde meer… Voor de tijd die hen nog even rest, vliegt ze hem (Terug?) in de armen. Een zucht van verlichting en genot valt over hen neer. Voor de tijd die hen nog rest… Nog even…
Vergif…
Ze zegt wel dat ze van je houdt al weet ze zelf niet echt wat dat betekent, ook al heb je ‘t haar nog zo mooi uitgelegd. Ze zegt het net als “goeiemorgen” of als “wil je nog wat thee?” Maar je wil haar graag geloven dus je gaat weer met haar mee…
Maar nauwelijks honderd meter verder laat ze jou alweer alleen. Na honderd jaar vraag jij je nog steeds af hoe ze verdween. Want ze zei nog: “goeiemorgen” Ze had nog thee gebracht. Maar zelf dronk ze altijd koffie… Ja, dat was toch wel verdacht.
Dan vroeg ze: “nog een beetje?” En jij zei niet nee… “Nog een beetje?” Je knikte gedwee… “Nog een beetje?”
Maar zij dronk niet mee…
Nu pas weet je: dat was echt geen thee.
Stil en door de jaren stroomt ze traagjes uit je bloed. Symptomen zijn verdwenen, maar de nasmaak bitterzoet. En dan zei ze: “goeiemorgen” Dan vroeg ze: “nog wat thee?” Maar dan hoorde jij iets anders dus je ging weer met haar mee.
En kleine mensen worden groot.
Een grote mens gaat sneller dood…
Dat leert ons toch de statistiek
Maar van vergif word je ook ziek…
Je hebt het toch nog net gehaald… Je hebt het wel heel duur betaald. Want tijd is geld, verloren tijd… Nog erger, want een dag voorbij is kwijt…
Kleine meisjes blijven altijd een beetje klein…
Een doordeweekse zaterdagvoormiddag in Ikea.
Een klein meisje van ongeveer een jaar of zes wordt opgeschrikt door een aantal felle kleurtjes in de vorm van een leuke beer. Een giraf ofzo. Bij Ikea hebben ze wel een paar van die leuke exemplaren. Wilde dieren die op een grappige manier en aan de hand van leuke, felle kleurencombinaties een knuffel vormen. Ook voor het kleine meisje. Ze loopt naar de bak met de beestjes en begint met eentje te spelen. Af en toe hopend naar haar mama kijkend die enkele meters verderop staat te grabbelen in een andere bak. De mama komt dichterbij en ziet dochterlief lief spelen met een van de beestjes. Het beestje in kwestie huppelde vrolijk mee over de rand van de bak. Klaar om er volledig uit te springen en mee te gaan in een wereld vol spanning en avontuur.
De mama staat even vertederd te kijken. Je ziet een twijfel over haar jonge gezicht trekken… Ze kijkt naar het kaartje met de prijs op, twijfelt nog een seconde langer en laat dan uiteindelijk de felle knuffel in de verraste handen van het kleine meisje zakken.
Nog niet vaak heeft zulk tafereel me zo weten te vertederen… De spontane verraste glimlach van het kleine meisje en de blijdschap die over haar gezicht gleed, deed mij zelf breed en luidop lachen. Wat me een knipoog van de mama opleverde. En de zin zelf zo’n knuffel te gaan ‘afluizen’ van mijn mama…
Zonder woorden…
Een meisje ziet de pijn en de frustratie en het ongenoegen op het gezicht van een jongen. Ze weet dat een deel van die pijn en een nog groter deeltje van dat ongenoegen en die frustratie met haar te maken hebben. Ze zucht zachtjes. Het meisje opent uitnodigend haar armen. De jongen kijkt op en ziet haar open armen op hem gericht. Ruisloos neemt hij de uitnodiging aan en duikt haar zalige open armen in. Ze knuffelen. Bedeesd. Na enkele seconden die langs de ene kant lijken stil te staan maar langs de andere kant voorbij lijken te razen, wil ze zich zachtjes losmaken uit hun omarming. Ze zet een stap achteruit. Wriemelend zichzelf half lostrekkend. In een eerste plaats lijkt hij toe te geven en laat hij los maar nog geen seconde later lijkt hij zich te bedenken en trekt haar weer opnieuw maar nog dichter tegen zich aan in een innige omhelzing. Ze legt haar hoofd op zijn schouder. Hij fluistert iets tussen haar haren. Beiden zien geen enkele traan die een weg naar beneden zoekt en vindt…
Stukje uit The O.C.
Kirsten: Do you guys need anything?
Seth: Yes, Ryan needs a tear in the space time continueum so he can go back and say “I love you” to Marissa.
Kirsten (to Ryan): She said “I love you?”
Seth: (Nodding yes)
Sandy (to Ryan): So what did you say back?
Seth: Thank you.
Ryan (sarcastically to Seth): Thank you.
Sandy: Well that was polite.
Seth: That’s what I said.
Kirsten: You guys have fun.
Sandy: Seeya.
Seth: Love you guys.
Sandy: Thank you!
Groeten die doen blozen …
Derde couplet, ‘potteke’ met vet … Of zoiets …
Met de groeten van de winkelier, zei het jongetje. En hij gaf een rode roos aan z’n moeder. Van de winkelier? vroeg de moeder verbaas. Ja, zei het jongetje. Maar die verkoopt toch geen rozen? zei de moeder. Toch is ze van hem, zei het jongetje. O, zei de moeder. Ja, zei het jongetje. Heeft hij je die roos zomaar gegeven? vroeg de moeder. Ja, zei het jongetje. Met de groeten en heel veel liefde erin. Zei hij dat? vroeg de moeder. Zoiets, zei het jongetje. O, zei de moeder weer. En ze zette de roos in de lege vaas.
Bedankt voor de roos, zei de moeder toen ze in de winkel stond. Het is een mooie roos. Graag gedaan, zei de winkelier. U heeft een lieve zoon. Ja, zei de moeder verlegen. Ja, zei ook de winkelier. En hij bloosde een beetje. Dat was tenminste wat de moeder dacht.
Zal voor een allerlaatste keer worden vervolgd op en voor een speciale gelegenheid …
Nog een roos …
Opnieuw in opvolging van het ‘rozenverhaal’ …
Waarom laat je de vaas staan? vroeg het jongetje. Ze is toch leeg, de roos is weg? Ja, zei z’n moeder. De roos is weg. Maar misschien komt er wel een nieuwe. Zomaar? vroeg het jongetje. Nee, zei de moeder. Niet zomaar. Hoe dan? vroeg het jongetje. Iemand moet ze me geven, zei de moeder. Wie dan? vroeg het jongetje. Iemand die me graag ziet. O, zei het jongetje. Ja, zei de moeder.
Zo, zei de winkelier. Ben je daar terug? Ja, zei het jongetje. Hoe gaat het met je moeder? Goed, zei het jongetje. Heeft u nog wat liefde voor mij? Voor jou? vroeg de winkelier. Nee, voor mijn moeder, zei het jongetje. O, zei de winkelier. Dat moet ik eerst even nakijken. Hij verdween uit de winkel en kwam na een poosje terug met een roos. Een rode roos. Zo, zei de winkelier. Je hebt geluk. Ik had nog wat liefde staan. Alsjeblieft. En doe de groeten aan je moeder. Zal ik doen, zei het jongetje. En hij hupte de winkel uit. Met één rode roos in z’n hand en de groeten van de winkelier in z’n hoofd.
U raadt het al. Wordt vervolgd …
Een roos en een lege vaas …
Als vervolg op ‘liefde gezocht …’ …
Alstublieft, zei het jongetje. Een roos! riep z’n moeder. Voor mij? Ja, zei het jongetje. Helemaal voor u. Dank je wel, zei de moeder. Dat is lief van je. Waar heb je die vandaan? Gekregen, zei het jongetje. Met veel liefde erin. O, zei de moeder en ze keek diep in de roos. Het is een mooie roos, zei ze. Het is een rode roos, zei het jongetje. Ja, dat zie ik, zei de moeder. Ze is heel mooi. Ja, zei het jongetje, ze is heel rood. Ik zet haar in een vaas, zei de moeder. Ze haalde een vaas, vulde die met water en zette de roos erin. Een mooie roos in een vaas, dacht de moeder. Een rode roos in een vaas, dacht het jongetje. Heel veel liefde in een vaas dachten ze beiden.
De roos is verwelkt! riep het jongetje. Dat heb ik gezien, zei z’n moeder. Wat nu? vroeg het jongetje. We moeten haar weggooien, zei de moeder. Weggooien? Ja, zei de moeder. Het kan niet anders. Anders gaat ze rotten. Dat stinkt. En de liefde? vroeg het jongetje. Is de liefde ook verwelkt? Nee, zei de moeder. De liefde is eruit. Beetje bij beetje heb ik de liefde eruit gehaald. Telkens als ik naar de roos keek. O, zei de jongen. Dan is het niets. Gooi ze maar weg. Het was om de liefde te doen. Niet om de roos. Ja, zei de moeder. Ja, zei de jongen.
Wordt vervolgd …
Liefde gezocht …
Een beetje liefde alstublieft. De winkelier trok zijn wenkbrauwen omhoog. Een beetje liefde? Ja, zei het jongetje, een beetje liefde. Heeft u dat? Hoeveel had je gedacht? Vroeg de winkelier. Genoeg, zei het jongetje. O, zei de winkelier, zoveel heb ik nog wel. En waar moet ze voor dienen? Voor mijn moeder, zei het jongetje. Ze klaagt erover dat ze te weinig liefde krijgt. Zozo, zei de winkelier. En kan je vader haar dan niet wat meer liefde geven? Nee, zei het jongetje beslist. Hij is dood. O, zei de winkelier geschrokken. Dat is erg. En nu moet jij haar die liefde geven? Ja, zei het jongetje. En mijn liefde is op. Ik begrijp het, zei de winkelier. Hij verdween even en kwam terug met een roos uit zijn tuin. Alsjeblieft, zei hij. En zeg je moeder dat er heel veel liefde in zit. Maar of dat genoeg is, weet ik niet. Dank u wel, zei het jongetje …
Wordt vervolgd …
Voor elk wat liefs …
Ik zou je wel kunnen opeten, zei de jongen tegen z”n meisje. Het meisje bloosde. Zie ik er dan zo lekker uit? vroeg het meisje. Ik zou zelfs meer zeggen, zei de jongen. Je ziet er verrukkelijk uit! Maar als je me opeet, dan ben je me kwijt, zei het meisje. Ja dat is waar, zei de jongen. Maar dan zou je wel helemaal van mij zijn. Misschien blijf ik wel op je maag liggen, zei het meisje. Misschien verteer je me niet goed. Ik zou het eerst eens kunnen proberen, zei de jongen. Met een klein hapje. Welk hapje zou je nemen? vroeg het meisje nieuwsgierig. Welk hapje is het meest mezelf? De jongen bekeek het meisje aandachtig en besloot toen: je lippen! En hij trok het meisje stevig tegen zich aan en zoende haar op haar mond. En het leek wel alsof hij haar meteen helemáál opat …
Ik voel iets …
Ik voel iets, dacht Martha.
Ik weet niet wat het is, maar het is mooi. En ze kocht een bos rozen.
Een bos rode rozen.
Een bos zalig rode rozen. Ik voel iets, dacht Willem.
Ik weet niet wat het is, maar het is apart. En hij kocht een bos rozen.
Een bos witte rozen.
Een bos heerlijke witte rozen. Ik voel iets, dacht Martha.
Ik weet niet wat het is, maar het is mooi. En ze begon te dansen.
Op de tippen van haar tenen.
Op haar teenste tippen.
En toen ze klaar was, gaf ze drie rode rozen weg.
Zomaar. Aan een dame.
En die dame dacht: Ze voelt iets. Ik weet niet wat het is, maar het is mooi.
Dat zie je. Ik voel iets, dacht Willem.
Ik weet niet wat het is, maar het is apart. En hij nam een lange aanloop. En hij sprong in een keer over de beek.
In een keer.
In een keer onder een bos heerlijke witte rozen.
En de mensen die dat zagen,
die zeiden: Hij voelt iets. We weten niet wat het is, maar het is apart.
Dat raad je. Ik voel iets, dacht Martha.
Ik weet niet wat het is, maar het is mooi. En ze zong een lied. Een tiereliere lied.
Van het knaapje dat een roos zag staan,
zoo lieflijk van stam en blaân.
En toen ze klaar was,
gooide ze 5 rozen in het publiek.
En het publiek klapte in zijn handen.
En het zei: Ze voelt iets. We weten niet wat het is, maar het is heel mooi.
Dat hoor je. Ik voel iets, dacht Willem.
Ik weet niet wat het is, maar het is apart. En hij riep ‘JOEPIE!’
Heel luid.
En hij gooide een roos recht de hemel in.
Heel hoog.
Ze werd een witte stip.
Een vogel ving ze op en dacht: Hij voelt iets. Ik weet niet wat het is, maar het is apart.
Dat merk je. Ik voel iets, dacht Martha.
Ik weet niet wat het is, maar het is mooi. En ze ging op een hand staan.
Zomaar. Voor de lol.
Tot ze er rood van werd.
Zo rood als haar rode rozen.
Toen gaf ze een roos aan een hond.
En die hond, die rook eraan en dacht: Ze voelt iets. Ik weet niet wat het is, maar het is mooi.
Dat ruik je. Ik voel iets, dacht Willem.
Ik weet niet wat het is, maar het is apart. En hij koos drie rozen uit en zette ze op.
Een op zijn vinger en een op zijn voet,
de derde op zijn neus.
Toen stak hij de rozen op een hoed.
Op een hoed van een heer met een hoed.
En die heer dacht: Hij voelt iets. Ik weet niet wat het is, maar het is apart.
Dat weet ik. Ik voel iets, dacht Martha.
Ik weet niet wat het is, maar het is mooi. En ze ging op het balkon staan.
En ze riep ‘SANTÉ!’
En ze gooide tien rozen tegelijk naar beneden.
Tien rode snippers feest.
En de mensen daar beneden
vingen de rozen op en dachten: Ze voelt iets. We weten niet wat, maar het is mooi.
Dat voelen wij. Ik voel iets, dacht Willem.
Ik weet niet wat het is, maar het is apart. En hij zei dat hij toveren kon.
En hij zwaaide en zwierde en zong:
Rosa rosam rosae rosas rosis rosarum …
En hij veranderde de rozen in snoepgoed. Muntjes en toverballen.
En de kinderen die ze aten,
die riepen: Hij voelt iets. We weten niet wat het is, maar het is apart.
Dat proef je. Ik voel iets, dacht Martha.
Ik weet niet wat het is, maar het is mooi. En ze maakte zeven putjes.
Vlak voor het huis van de burgemeester.
En ze stak er zeven rozen in.
Vlak voor de neus van de burgemeester.
En de burgemeester die dat zag,
De burgemeester met zijn eigen ogen
die dacht: Ze voelt iets. Ik weet niet wat het is, maar het is mooi.
Dat stel ik vast. Ik voel iets, dacht Willem.
Ik weet niet wat het is, maar het is apart. En hij maakte een diepe buiging.
En hij droeg een gedicht voor.
Heel plechtig.
En aan het einde boog hij weer.
Heel sierlijk.
En hij zei dat hij er nog een kende.
En de mensen die dat hoorden, die zeiden: Hij voelt iets. We weten niet wat het is, maar het is heel apart.
Dat spreekt vanzelf. Toen kwamen ze elkaar tegen.
Martha en Willem.
Voor jou, zei Martha.
En ze gaf Willem haar laatste rode roos.
Voor jou, zei Willem.
En hij gaf Martha
de enige witte roos die hij nog over had.En de kinderen die dat zagen
En de mensen die dat merkten
En de vogel en de hond
En al de rest
Die zeiden:
Ze voelen iets. We weten wat het is. En het is mooi. Het is apart.